Mineralen
en hun namen.
Over -ieten en -lieten
Waarom dolomiet, orthoklaas, anataas,
willemiet of babefphiet?
Kunt u raden naar de herkomst van raïet? En hoe zit het met milleriet en milariet?
Zodra een aantal mensen
belangstelling heeft voor ongeveer dezelfde zaken, worden al gauw afspraken
gemaakt over een naamgeving.
Dat is handig, verstandig en tijdsbesparend omdat iedereen dan niet steeds opnieuw
hoeft uit te leggen waarover hij het heeft.
Artsen, technici, wetenschappers en musici kennen allemaal vaktermen, uitdrukkingen
en symbolen die, ook wanneer gebezigd in een vreemde taal, voor de goede verstaander
duidelijk zijn.
Het muziekschrift, wiskundige notaties, de chemische symbolen en de Latijnse
namen voor botten en spieren zijn daarvan voorbeelden.
Een zekere logica of systematiek
ligt vaak ten grondslag aan deze termen en symbolen.
Typisch genoeg is dit niet het geval bij de namen die aan mineralen zijn gegeven.
Mineraalnamen lijken soms wonderlijke en onbegrijpelijke termen die meestal
geen aanknopingspunt hebben met de aard van het vernoemde specimen.
Maar azuriet is duidelijk (azuur)blauw, magnetiet is magnetisch en serpentijn
lijkt soms een beetje op een slangenhuid.
Enig verband tussen de naam en het mineraal zal er toch wel wezen?
Hoewel Linnaeus gepoogd
heeft de uit de biologie bekende dubbele systematische naamgeving aan het mineralenrijk
mee te geven, is het hem niet gelukt zoiets door te voeren.
Enerzijds omdat dat in die tijd moeilijk toepasbaar bleek, anderzijds omdat
er al veel ingeburgerde namen bestonden waarmee vakmensen redelijk tevreden
waren.
Bovendien is de behoefte aan een streng systeem van naamgeving voor mineralen
lang niet zo groot als in de biologie: er zijn maar relatief weinig mineralen
vergeleken met de enorme aantallen soorten die de biologie kent.
Vanaf 1850 gebruikt men algemeen de toen in Europa al enige tijd gebruikte methode om ieder mineraal (of dingen die als apart mineraal beschouwd werden) een eigen naam te geven. Dit heeft in de loop der jaren tot een groot aantal overbodige namen geleid. Het is nogal verwarrend dat veel mineralen meer dan één naam hebben of hadden.
Voor de meeste mineralen is de naamgeving internationaal, maar dezelfde mineralen in verschillende landen kregen vaak verschillende namen. Ook zijn aan allerlei variëteiten van in wezen hetzelfde mineraal verschillende namen gegeven. Het verbaast dus niemand dat er tienduizenden namen in omloop zijn (en waren) voor zo'n 3800 mineralen.
Zo zitten we met een historisch opgebouwde en ook steeds weer veranderende naamgeving. Bovendien zijn de namen niet gegeven op systematische basis, maar doorgaans vrij willekeurig gekozen of ontstaan. Iedere ontdekker van een mineraal had de vrijheid een naam te bedenken. Het is dan ook een bonte verzameling geworden. Soms verrassend en intrigerend, soms onbegrijpelijk, maar in ieder geval boeiend en afwisselend.
Men zou kunnen denken dat
reeds de eerste mens namen aan stenen zou hebben gegeven.
Het mineraal adamiet (of adamien) lijkt inderdaad Adam te eren. In werkelijkheid
is het vernoemd naar de Franse mineraloog Gilbert-Joseph Adam die in de 19e
eeuw enkele stukken van het toen nog niet beschreven mineraal voor onderzoek
aanbood.
Pas veel later noemde een niet van humor gespeende mineraloog een met adamiet
verwant mineraal eveïet.
Hij had zonder twijfel de eerste vrouw Eva, Eve, op het oog. Hoe de vrouw van
Gilbert-Jospeh heette vermeldt de historie niet.
De oudste en eerste wetenschappelijke
publicaties over de toen bekende wereld van de mineralen werden geschreven door
de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) en Plinius de
Oudere (23-79 AD).
Het mineraal-systeem van Aristoteles bleef van kracht tot in de zestiende eeuw.
Een aantal zeer oude mineraalnamen
zijn van Oriëntaalse of Arabische herkomst: opaal, saffier, korund, zirkoon,
toermalijn, jaspis, beryl, smaragd, cinnaber. Het laatste betekent "kleur
van drakenbloed".
Via het Grieks en Latijn zijn vooral de oude Perzische- en Sanskriet-namen,
al of niet met een verwisselde betekenis, tot ons gekomen.
Nog direct uit het Arabisch stammen talk, borax, trona, realgaar ("poeder
van de mijn").
Echt Grieks zijn amethyst ("tegen dronkenschap"); chrysopraas (goud-groen);
hematiet (haima = bloed); gips (gypsos = pleisterkalk); pyriet (pyr = vuur,
vanwege de vonken bij het aanslaan); asbest (a-sbestos, niet te doven!?); heliotroop
(helios = zon, tropein = draaien, vanwege de rode vlekjes die opvallen bij het
draaien van de steen in zonlicht).
Gedurende de Middeleeuwen
(800-1300) was er weinig vooruitgang in de mineralogie.
Het terrein van de natuurkunde werd beheerst door de alchimie, de astrologie,
door speculatie en door vermeende occulte krachten van stenen. De in deze tijd
gepubliceerde boeken over stenen vermelden geen nieuwe kennis, maar geven slechts
een kritiekloze samenvatting van antieke en Middeleeuwse opvattingen.
Vanaf de 11e eeuw, wordt de kennis van stenen groter. De magische krachten en
genezende werking staan evenwel in het middelpunt van de belangstelling.
In Europa verdiepte de grote geleerde Albertus Magnus (1193-1280) zich in de
bestudering van mineralen en gesteenten, hij onderscheidde steen: lapis, en
edelsteen: gemma of lapis preciosus.
Het Middeleeuwse Latijn
levert veel nieuwe namen op: granaat, carneool, robijn, spinel.
Men kent behalve het arseen en antimoon de zeven bekende mineralen: goud, lood,
tin, zilver, koper, ijzer en kwik.
De symbolen ervan werden gekoppeld aan het zonnestelsel: goud met de zon, zilver
met de maan, ijzer met Mars enzovoorts. Veel metaalertsen krijgen samengestelde
namen waarin het karakteristieke metaal wordt genoemd.
De alchimie levert vreemde namen op die afgeleid werden uit de namen van sterren,
planeten, planten en dieren, religie en mythen. Zwavel en de verschillende zouten
spelen naast de metalen een belangrijke rol.
Aan het eind van de Middeleeuwen
wendde men zich enerzijds weer tot de klassieke Griekse schrijvers en filosofen,
anderzijds nam de belangstelling voor de natuur zodanig toe dat men begon in
te zien dat vele dingen die de Grieken over de natuur hadden geschreven nauwelijks
op objectieve waarnemingen konden berusten.
Tijdens de Renaissance, in het begin van de zestiende eeuw, kwam er een opleving
in de natuurwetenschappen. De onaantastbaar beschouwde geschriften van Plinius,
Theophrastus en Dioskurides, die eerst als zoete koek werden geslikt, werden
eindelijk kritisch bekeken.
De vader van de mineralogie: de in Saksen geboren arts Georg Bauer, beter bekend
onder de naam Georgius Agricola (1494-1555), was daar een meester in.
Hij klaagde terecht dat weliswaar de oude Grieken intensief werden gelezen,
maar dat men zich niet afvroeg of ze ook gelijk hadden.
Hij stelde dat de juiste uitleg en betekenis van hun geschriften slechts op
grond van eigen waarnemingen aan de natuur konden worden gegeven en dat je je
waarnemingen niet van te voren moet laten beïnvloeden door de Griekse subjectiviteit.
Plinius werd er door hem
terecht van verdacht de vele minerale stoffen nooit gezien te hebben maar er
des te meer over geschreven te hebben.
Agricola behield het goede (bijv. een gedeelte van de naamgeving) van de antieken,
had er gezonde kritiek op, en droeg een ongelooflijke hoeveelheid nieuw mineralogisch
materiaal aan.
Hij slaagde er in de inmiddels al tot bloei gekomen Europese (Duitse) praktische
naamgeving van ertsen en mineralen te verwerken tot een nomenclatuur die én
praktisch bruikbaar bleek én dienst kon doen als taal voor de geleerden.
De typische en praktische
termen van de mijnwerkers en ertssmelters (kwarts, -kies, -blende, -glan(t)s,
-spat, -gültig, bismuth, kobalt, nickel, gneiss, hornblende, -spiess, wolfram;
kijk maar eens in oudere Duitse mineralenboeken!) werden verlatiniseerd maar
zinvol overgenomen na gebleken juistheid.
De geschriften van Agricola werden nog zeer lang na zijn tijd geraadpleegd.
Met het begin van de industriële
revolutie in de 18e eeuw kregen de natuurwetenschappen een nieuwe impuls.
Alle takken van de geologische wetenschappen en dus ook de mineralogie kwamen
tot grote bloei. De verhoogde vraag naar mineraalhoudende grondstoffen verlangde
een wetenschappelijke basis voor een grotere ertswinning en de ontsluiting van
nieuwe vindplaatsen.
Abraham Gottlob Werner
(1749-1817) was professor aan de Bergakademie van Freiberg in Saksen. Hij ontwierp
een systeem voor eenvoudige mineraaldeterminatie dat hogelijk geprezen werd
om zijn eenvoud.
Zijn systeem omvatte in het jaar 1817 al 317 nauwkeurig omschreven mineralen,
ingedeeld in klassen, families en soorten of ondersoorten. Maar anders dan bij
Linnaeus had hij voor elk mineraal één naam, gekozen uit het enorme aantal klassieke,
'agricolaanse' en mijnwerkersnamen dat in omloop was. Nergens voegde hij dubbele
namen of synoniemen in. En hoewel de naamgeving van Werner niets met de eigenlijke
systematiek van de mineralen van doen had, verschafte zijn zorgvuldigheid en
taalgebruik bij het kiezen van de namen hem veel gezag.
Een gedeelte van de oudere namen werd gekoppeld aan ondubbelzinnig omschreven
mineralen en nieuwe namen werden ingevoerd waar dat nodig bleek.
Dit gebeurde op basis van een eigenschap, bijvoorbeeld kleur: olivijn (olijfrgoen),
leuciet (leukos = wit), kyaniet (kyanos = blauw), celestien (caelestis = hemels),
of een eigenaardigheid (apatiet, van apatan = verwarren, omdat het mineraal
soms bedrieglijk veel lijkt op enkele andere mineralen).
Veel mineralen werden vernoemd naar een persoon: prehniet (kolonel Hendrick
von Prehn, die het mineraal meebracht uit Zuid Afrika), witheriet (William Withering,
Engels arts, mineraloog en botanicus), of naar een of andere vindplaats: aragoniet
(Aragon, Spanje), vesuvianiet (Vesuvius, Italië).
Hoewel een levendige strijd losbarstte over naar personen of vindplaatsen vernoemde
mineralen werd dit steeds vaker gedaan voor de nieuw ontdekte of -beschreven
mineralen.
De onderzoeker blijkt vanaf nu de centrale persoon die verantwoordelijk is voor
de naam van een nieuw mineraal.
Anders dan vroeger, toen een naam als het ware ontstond in de spraakgemeenschap
van de mijnwerker, of werd gekozen uit reeds bestaande oudere namen. De ontdekker
of eerste beschrijver van een mineraal wordt naamgever voor de dopeling, hetgeen
vaak heeft geleid tot vreemde constructies, zoals we aanstonds kunnen zien.
Inmiddels was de beschrijving
van het uiterlijk wezen der kristallen tot bloei gekomen.
De Franse kristallograaf Haüy (1743-1822) stelde nieuwe mineraalnamen
vast en gebruikte daarvoor Griekse taalelementen. Desmien (de "bundelvormige"),
axiniet (de "bijlvormige"), anataas (de "torenende" vanwege
de steile pyramiden die dit mineraal vormt), epidoot ("die wat extra's
bezit", vanwege de meerdere vlakken ten opzichte van overeenkomstige mineralen).
Haüy was ook knap eigenzinnig: de naam vesuvianiet (in het Duits vesuvian) vond
hij ongepast omdat dit mineraal inmiddels ook van vele andere vindplaatsen dan
de Italiaanse vulkaan bekend was; ook hier gaf hij het een kristallografisch
getinte naam: idokraas ("van gemengde vormen"). Overigens een naam
waarop minstens evenveel kritiek mogelijk is als op vesuvianiet, wat overigens
de internationale naam bleef.
Veel later werden Griekse voorvoegsels gebruikt om iets van de kristallografische
kenmerken tot uitdrukking te brengen, zoals klino-, ortho-, iso-, tetra-, zie
verder.
De orde die Werner geschapen
had werd niet alleen door de mooie maar toch verwarrende namen van Haüy verstoord.
Haidinger bijvoorbeeld vond sommige namen te lang en te weinig internationaal.
Hij verkortte roodkopererts tot cupriet, magneetijzersteen tot magnetiet, hartbraunstein
tot brauniet en roodzinkerts tot zinkiet.
Mohs (de man van de hardheidsschaal dus) daarentegen bedacht weer ingewikkelde
en samengestelde namen op basis van een systematiek.
Geheel tegen de trend van zijn tijd in, paste hij géén chemie toe in zijn namen.
De opkomst van de chemie
leidde tot een beter inzicht in de aard (samenstelling) van de mineralen.
Nieuwe metalen werden ontdekt in oude mineralen en veel mineraalnamen werden
dan ook afgeleid van de nieuwe metalen.
Merkwaardigerwijs heerste
bij de naamgeving ervan een minder modern gebruik: vele splinternieuwe metalen
en mineralen die deze bevatten werden getooid met termen direct afgeleid van
mythologische figuren: de Noorse goden Thor, Aegir en Vanadis leidden tot de
metalen thorium en vanadium en tot de mineraalnamen thorianiet, thoriet, thorogummiet,
thorosteenstrupien, aegirien, vanadiniet en vanaliet.
Maar thoreauliet is weer afgeleid van Thoreau, een professor te Luik, België.
Ook de Griekse goden roerden zich: Neptunus, Tantalus en Niobe, Pollux en Palias Athene leverden stof voor neptuniet, tantaliet, niobiet, polluciet en het metaal palladium.
Vaak werden eerst planeten,
asteroïden of andere hemellichamen benoemd met godennamen, enkele jaren later
gevolgd door nieuw ontdekte elementen en mineralen.
Ceres: cerium; selenium en tellurium werden genoemd naar de namen voor maan
en aarde, titanium naar de godheid en naar een maantje van Saturnus.
De chemicus Klaproth isoleerde een stof uit pekblende en noemde het uraan, naar de zojuist ontdekte planeet Uranus. Minstens enkele dozijnen mineraalnamen bevatten uran of urano als onderdeel van hun naam.
De chemische eigenschappen
van mineralen zorgden voor aardige namen:
Scoleciet werd afgeleid van scolex = worm, omdat het mineraal zich wormvormig
krult bij verwarming in de reageerbuis.
Nefelien van nephelon = wolk, vanwege het witwolkige neerslag dat bij de behandeling
van het mineraal in zuren ontstaat.
Euxeniet, de "gastvrije", omdat meerdere metalen een plaatsje hebben
in het mineraal.
Aeschyniet komt van "schaamte": chemici waren destijds niet in staat
bestanddelen ervan te scheiden.
Mesoliet = "middensteen" omdat het chemisch gezien een samenstelling
heeft die het midden houdt tussen natroliet en scoleciet.
Rhabdofaan van "balk" en "verschijnen": het mineraal vormt
karakteristieke banden in het spectrum.
In 1824 stelt de geniale
Berzelius (1779-1848) een op de chemische samenstelling gebaseerd mineraalsysteem
voor.
Hij ontwerpt zeer veel namen met chemische termen erin.
Vanaf die tijd wordt het duidelijk dat namen van mineralen in het laboratorium
geboren worden. Berzelius "verbeterde" vele oude namen in die zin,
en vond het maar onzin dat mineraalnamen naar personen werden genoemd.
Uiteindelijk werd hij, zijns ondanks, geëerd met twee mineraalnamen: berzelianiet
en berzelliet.
Een tijd lang heeft berzelianiet trouwens berzeline geheten, zo genoemd door
Beudant, naar wie weer beudantiet is genoemd. Deze laatste naam werd een beetje
te snel gegeven aan minerale substanties die bij zorgvuldiger onderzoek twee
verschillende mineralen bleken te zijn.
Berzelius hield niet van onzorgvuldigheid en flauwe kul, zeker niet waar het
naamgeving betrof.
Van hem is de uitspraak: "Iedere mineraloog voert zijn kennissen in
de mineralogie in, waardoor de meest dwaze en ingewikkelde namen ontstaan.".
Inderdaad zijn willemiet, vandendriesscheïet, johanniet, wroewolfeïet, ungemachiet,
willhendersoniet, uytenbogaardtiet, marialiet en zhemchuzhnikoviet niet zo mooi
als spinel, smaragd en borax.
De systematicus Dana
vond dat het maar eens afgelopen moest zijn met al die uitgangen op -ien, -aan,
-iaan, -id, enzovoorts.
Hij doopte vesuviaan om in vesuvianiet; uranien in uraniniet; cacoxeen in cacoxeniet
enzovoorts.
Het adamien van het begin van dit artikel is toen ook adamiet geworden.
Vele Engels-sprekenden hebben gevolg gegeven aan Dana's lelijke 'verbeteringen'.
Een iets beter idee van Dana, namelijk om alle gesteentenamen te laten eindigen
op -yte om ze zodoende te onderscheiden van de mineraalnamen op -ite heeft nooit
ingang gevonden.
Een nog fanatieker systematicus,
de Rus Povarennykh, vond dat mineraalnamen op chemische symbolen moesten
lijken.
Boulangeriet (formule Pb5Sb4S11) moest maar
plum5stib4suliet gaan heten. En het leuke playfairiet, dat dezelfde elementen
maar in andere getalsverhouding, zou plum16stib18suliet worden. We zijn in de
geschiedenis van de mineraalnamen inmiddels aangeland in 1972.
Tot op heden is nog geen mineraal naar Povarennykh vernoemd.
Een groot aantal mineraalnamen
zijn afgeleid van de naam van mineralogen, chemici, filosofen en andere wetenschapslieden.
Wij hebben reeds kennis gemaakt met enkelen van hen: Agricola, Linnaeus, Haüy,
Werner, Berzelius, Haidinger en Dana. De mineralen agricoliet, linnaeïet,
haüyn, werneriet, berzeliiet en berzelianiet, haidingeriet en danaliet eren
deze naamgevers.
Het is een beetje jammer
dat bijvoorbeeld Albertus Magnus en Mohs nooit de eer hebben gehad. Agricoliet
is inmiddels afgevoerd van de lijst van mineraalsoorten en kan niet meer gebruikt
worden voor een nieuw te benoemen species.
In een aantal van zulke gevallen werd dit probleempje trouwens omzeild door
bijvoorbeeld de voornaam in de mineraalnaam te verwerken. Overigens is werneriet
slechts een variëteit (van scapoliet) en geen zelfstandig mineraal.
Ook Werner komt er uiteindelijk dus nogal bekaaid vanaf. Enkele voorbeelden
van vernoeming volgen hier nog:
| Torberniet: | naar Torbern Olof Bergman (1735-1784), Zweeds chemicus en mineraloog. |
| Gahniet: | naar Johan Gottlieb Gahn (1745-1818), leerling van Torbern Bergman, Zweeds chemicus , mineraloog en mijneigenaar; leerde Berzelius met de blaaspijp omgaan teneinde mineralen te determineren. |
| Biotiet: | naar Jean Baptiste Biot (1774-1862), Frans natuurkundige. |
| Breithauptiet: | naar Johann Friedrich August Breithaupt (1791-1873), Duits mineraloog die meer dan 40 nieuwe mineralen ontdekte. Beschreef via 3000 metingen aan calcietkristalvlakken de veelvormigheid van dit mineraal. Hield blijkbaar van volledigheid: een van zijn boeken heet: Vollständiges Handbuch der Mineralogie. |
| Röntgeniet: | naar Wilhelm Konrad Röntgen, de man van de X-stralen, deed veel werk aan de fysische eigenschappen van kwarts. |
| Hitchcockiet: | werd genoemd naar de geoloog E. Hitchcock, niet te verwarren met de suspense-filmer. Overigens is hitchcockiet plumbogummiet gebleken. De naam mag dus niet meer gebruikt worden. |
| Goethiet: | naar Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), de schrijver en filosoof. Goethe verzamelde mineralen. |
Over eveiet bent u reeds
geïnformeerd.
Lauriet (niet te verwaaren met laueiet) werd genoemd naar Laura, de vrouw van
de vriend van Wöhler (wöhleriet!), een befaamd Duits chemicus.
Over de achtergronden van deze naamgeving kan ik u niets mededelen, maar zekere
vermoedens liggen voor de hand.
Iets minder frivool zal het zijn toegegaan met dellaïet. Dit mineraal is genoemd
naar Della Martin Roy, een bekend Amerikaans mineraloge.
Gaidonnayiet is de curieuze naam van het mineraal dat genoemd is naar Gabriëlle
Donnay, ook een Amerikaans mineraloge.
Nog minstens zeven andere vrouwelijke mineralogen werden geëerd met een naar
hen genoemd mineraal. Omdat de naam curiet al naar haar man Pierre Curie was
genoemd, werd Marie Curie's nagedachtenis geëerd met sklodowskiet en (later)
cuprosklodowskiet. Sklodowska was haar meisjesnaam.
Ook mochten enkele ontdekkingsreizigers hun naam vereeuwigd zien in steen.
| Leifiet: | werd genoemd naar
Leif Ericsson, die in de tiende eeuw naar Groenland en mogelijk naar Amerika voer. |
| Ericssoniet: | naar John E. Ericsson. |
| Humboldtien: | naar de baron Friedrich Heinrich von Humboldt (1769-1859), die Rusland en Zuid Amerika bereisde. |
| Livingstoniet: | naar de Afrika-reiziger David Livingston (1813-1873). |
| Gagariniet: | naar de Russische kosmonaut Yuri Gagarin (1934-1968), de eerste persoon die in de ruimte reisde (1961). |
| Armstrongiet: | naar Neil Armstrong, de eerste man op de maan (1969). |
| Armalcoliet: | naar de drie Amerikaanse astronauten van die gedenkwaardige Apollo XI-vlucht in 1969: Neil Armstrong, Edwin Aldrin en Michael Collins. |
| Clintoniet: | naar Dewitt Clinton, Amerikaans staatsman die enige interesse in geologie had. |
| Rooseveltiet: | naar de 32e Amerikaanse president Roosevelt. |
| Nyerereïet: | naar Julius Nyerere, president van Tanzania. |
| Willemiet: | naar koning Willem I. |
| Stephaniet: | naar aartshertog Victor Stephan van Oostenrijk, mijn-directeur. |
| Samarskiet: | naar kolonel Erafovich von Samarski-Bykhovets. |
| Uvaroviet: | naar graaf Sergey Semeonovich Uvarov, Russisch staatsman. |
Ook amateurmineralogen,
vooral diegenen die hebben bijgedragen aan de ontdekking van nieuwe mineralen,
worden wel eens bedacht met een mineraalnaam.
Dit geldt ook voor sommige mineralenhandelaars.
Zo werd heulandiet genoemd naar de Engelsman John Henry Heuland wiens collectie
nauwelijks in drie boekdelen kon worden beschreven.
Goethe werd al genoemd. Een flink aantal amateurs waarvan de bijdragen leidden
tot publicaties in bijvoorbeeld Mineralogical Record of in Lapis en Aufschluss
werden bedacht met een mineraalnaam. Het aantal ervan moet in de dozijnen lopen.
Het is tegenwoordig echter vrijwel uitgesloten dat een toekomstige naam van een mineraal met UW naam zal worden versierd. Vanstuivenbergiet, besieriet, kapteiniet, helprichiet en egberinkiet zullen we dus wel nooit tegenkomen.
Soms bewandelen naamgevers
curieuze wegen om tot een naam te komen: afwilliet werd genoemd naar Alpheus
Fuller Williams; francoanelliet naar Franco Anelli; haxoniet naar H.J. Axon;
pavoïet naar M.A. Peacock ('peacock' = pauw = 'pavo' in het Latijn); stenhuggariet
naar Brian H. Mason, die een bijdrage leverde aan de mineralogie van Zweden:
'mason' = metselaar = 'stenhuggar' in het Zweeds; jimthompsoniet naar James
Burleigh Thompson Jr., die het bestaan van het mineraal reeds had voorspeld
voordat het werd ontdekt (James moet in de wandeling Jim hebben geheten).
Laurenz Oken stond aan de wieg van het mineraal okeniet, maar toen een mineraal
dat veel leek op okeniet bij nader onderzoek toch een nieuw mineraal bleek te
zijn, besloten de onderzoeker de verwarring in de nieuwe naam vast te leggen:
zij draaiden oken om tot neko en noemden het nieuwe mineraal nekoïet.
Behalve naar personen,
ja zelfs naar hele families, werden mineralen ook vernoemd naar hele volksstammen.
De in Arizona geleefd hebbende Navaho-, Papago- en Yavapai-indianen herleven
in de mineraalnamen navajoïet, papagoïet en yavapaiiet. Deze mineralen werden
in het voormalige leefgebied van de stammen gevonden.
Enkele in Mexico gevonden
mineralen hebben de naam van een Mexicaanse (indianen)godheid meegekregen.
Tlaloc, de God van de regen, zorgde voor tlalociet, een mineraal dat veel (kristal)water
bevat. Een blauw mineraal quetzalcoatliet werd genoemd naar de God van de (blauwe)
zee: Quetzalcoatl.
Enkele zeer oude namen zijn genoemd naar de (vermeende) vindplaats: agaat naar
de rivier Achates (nu Drillo) op Sicilië, chalcedoon naar de verdwenen stad
Chalcedon (bij Istanbul, Turkije) en turkoois naar Turkije.
Ilvaïet heet naar de oude naam voor het eiland Elba: Ilva. Later is ook elbaïet
(een toermalijn) naar Elba geoemd.
Als vanzelf spreken de mineralen vesuviaan, andesiet, antarctiet, brazilianiet,
cubaniet, iraniet, iraqiet en surinamiet.
Verder komt ilmeniet van de Ilmen-bergen (Rusland); fayaliet van Fayal, een
Azoreneiland; ikaïet van de Ika-fjord, Groenland; yugawaraliet van de Yugawara
hete bronnen, Kanagawa, Japan; zinnwaldiet, een lichte glimmer, van Zinnwald,
een plaatsje in het Ertsgebergte.
Dit zijn maar enkele voorbeelden
van de minstens 600 van vindplaatsen afgeleide namen.
Ook zijn wel mineralen genoemd naar mijnen of zelfs ertsaders: bultfonteiniet
naar de Bultfontein-diamantmijn bij Kimberley, Zuid Afrika; mooihoekiet naar
een afzetting op de Mooihoek-farm, eveneens Zuid Afrika; redledgeïet naar de
Red Ledge mine, Nevada County, Californië; walpurgiet naar de Walpurgis-ader
in de Weisser Hirsch-mijn, Sachsen, Duitsland.
Het plaatsje Gladhammer bij Kalmar, Zweden, leverde gladiet en hammariet op.
Het mineraal tranquillityiet komt van de maan (Mare Tranquillity, Zee der Ruste,
aangedaan tijdens de Apollo XI-vlucht).
Het in de inleiding genoemde
milariet werd genoemd naar de Val Milar in Zwisterland, maar in werkelijkheid
komt het daar niet voor!
De vinder wilde zijn geheim voor zichzelf bewaren. Ook het bekende adulaar werd
destijds ten onrechte genoemd naar de Adularia-bergen.
Oude, in onbruik geraakte geografische namen leven vaak nog voort in mineraalnamen: caledoniet naar Caledonia, een oude naam voor Schotland; varisciet naar Variscia, een oude naam voor Voightland, Sachsen, Duitsland.
Geologen kennen nog wel meer voorbeelden van dit naamgebruik.
Chloriet is "de groene", malachiet heeft de kleur van een plantensoort, krokoïet komt van saffraan, carpholiet van het stro-gele, kyaniet is meestal blauw (kyanos, cyanos), evenals glaucodoot.
Griekse, Latijnse en soms
wel andere talen leveren de kleurrijke termen die in veel mineraalnamen zijn
verwerkt.
Als vanzelf spreken aquamarijn, indigoliet, purpuriet, violariet, azuriet, citrien
en rhodochrosiet. Achroïet betekent letterlijk zonder kleur, terwijl leuciet
komt van leuco = wit of kleurloos.
Echt wit is albiet van albus; melano betekent zwart (melanovanadiniet bijvoorbeeld).
Rutiel, rubelliet en robijn ('ruby') zijn rood, maar erythrien is dat ook, doch
afgeleid van erythros. Hematiet kwam van haima = bloed(rood), vanwege zijn rode
streepkleur.
Een mooie is spodumeen = 'tot as geworden', verwijzend naar de grijs-witte massa
die overblijft als het mineraal in brand wordt gestoken. Karneool is mogelijk
afkomstig van carneus = vlees(kleurig). Carminiet komt duidelijk van karmijnrood.
Het Engelse groen zit in greenaliet, olivijn en oliveniet zijn inderdaad olijfgroen, terwijl het zeegroene celadoniet afgeleid werd van celadon = zeegroen op zijn Frans.
Maar ook hier kan sprake
zijn van verwarring, niet alleen omdat een kleur niet altijd kenmerkend behoeft
te zijn voor een mineraal, maar omdat ook mineralen bestaan als rosasiet, een
blauw mineraal, zo geheten omdat het gevonden werd in de Rosa-mijn.
Roseliet is welliswaar roze, maar genoemd naar de Duitse mineraloog Gustave
Rose, 't is maar dat u het weet.
Glans en kleur zijn te
vinden in de (gesteente)naam spectroliet, dat inderdaad glanst in alle kleuren
van de regenboog of het spectrum. Pure glans werd bedoeld met mica, dat is afgeleid
van micare = glanzen.
Ganophylliet betekent letterlijk glans van de splijtblaadjes. De Groenlandse
mineralen cryoliet, chioliet en pachnoliet glanzen als "ijs, sneeuw en
vorst"!
Eleoliet (nefelien) en pimeliet zijn genoemd naar de vettige glans van olie
respectievelijk vet. En raïet? Deze naam werd door Russische mineralogen gegeven
aan een mineraal met strogele kleur, de kleur van papyrus en dus van het papyrus-schip
Ra, waarmee Thor Heyerdahl de oceaan bevoer.
Uit de mineraalnaam kan
soms iets van de chemische samenstelling afgelezen worden.
De vijftig meest voorkomende elementen vindt men dan ook regelmatig terug. Voor
veel metalen ligt dit zó voor de hand dat een opsomming langer dan de volgende:
aluminiet, boraciet, natroliet, magnesiet, molybdeniet, titaniet, zinkiet, al
gauw saai wordt.
Maar terwijl in de meeste gevallen het mineraal naar een erin zetelend metaal
werd genoemd, was dit ook wel eens andersom het geval. Het mineraal was dan
eerder bekend en benoemd, pas later volgde de ontdekking van het element, dat
vervolgens naar het mineraal vernoemd werd.
Sprekende voorbeelden zijn strontianiet (naar Strontian, Schotland) en het metaal
strontium.
Eerst het mineraal beryl, later werd erin beryllium gevonden, eerst zirkoon,
later zirkonium. Fluor uit fluoriet ligt ook heel duidelijk.
Nu is er nog de kleine
moeilijkheid dat veel chemische elementen behalve met hun gewone naam, ook vaak
worden aangesproken met een Latijnse naam.
Eigenlijk zou men de chemische elementen uit het hoofd moeten kennen om makkelijk
te kunnen inzien dat in het mineraal plumboferriet lood (plumbum) en ijzer (ferrum)
verborgen zitten.
En in auristilbiet goud en antimoon. Cuprum voor koper gaat nog wel, maar het
is wel handig om te weten dat ook chalko(s) koper betekent.
Dat zegt bijvoorbeeld iets over chalkopyriet, chalkosien, enzovoorts. Eveneens
van Griekse oorsprong is sideros = ijzer, zoals gebruikt in sideriet en sideronatriet.
Uiterst symbolische en
gekunstelde namen zijn samengesteld uit de één- of tweeletterige chemische symbolen:
tinaksiet uit Ti, Na, K en Si; het bevat dus titaan, natrium, kalium en silicium.
Behoïet komt van Be, H en O, bevat dus beryllium, waterstof en zuurstof. Het
in de inleiding genoemde babefphiet is ook zo'n naam: het bevat Ba, Be, F, P
en H, ofwel barium, beryllium, fluor, fosfor en waterstof. Het is aardig, maar
begint al verdacht veel te lijken op de namen die Povarennykh voorstond.
Prettiger doet bijvoorbeeld het gebruik van 'hydro' (hydro = water) aan in namen
als hydroboraciet, hydrocerussiet en andere. Heeft een mineraal minder kristalwater
dan een verder overeenkomstig mineraal, dan wordt de eerste vaak voorzien van
het voorvoegsel meta. Zo kennen we meta-autuniet en autuniet; metarossiet en
rossiet.
Maar meta wordt ook wel gebruikt om meer kristalwater aan te geven, zoals
bijvoorbeel in metavauxiet en vauxiet! Tot overmaat van ramp vinden we meta
vaak voorgevoegd om dimorfe mineralen te onderscheiden zoals bij varisciet en
metavarisciet, die chemisch gelijk zijn doch anders kristalliseren. Vantevoren
weet je het dus eigenlijk nooit met meta! Het beste is maar te onthouden dat
meta staat voor zoiets als: verwant/overeenkomstig/in de buurt.
Daarmee zijn we gekomen bij de kristallen.
In mineraalnamen zien
we vaak voorvoegsels als iso-, tetra-, hexa-, ortho-, klino-, die meestal slaan
op het kristalsysteem waarin het zo getooide mineraal kristalliseert.
Iso- voor het kubische (isometrische)-, tetra- voor het tetragonale-, hexa-
voor het hexagonale-, ortho- voor het (ortho)rhombische-, klino- voor het monokliene
en tri- voor het trikliene stelsel.
Maar tri en tetra in tridymiet en tetradymiet slaan weer op de drie- en vierlingen
die deze mineralen vormen.
Ortho- en klino- komen
we ook tegen in mineraalnamen die recht dan wel scheef splijten (Grieks: klasein),
zoals in orthoklaas, klinoklaas. Plagio- in plagioklaas betekent trouwens ook
scheef.
Vele mineralen behoren tot de phyllosilicaten of bladsilicaten, vanwege hun
plaatvormige, als bladen gestapelde structuur. Phyllo- vinden we dan ook vaak
als bestanddeel van een naam. We hebben al gezien dat meta- kan worden gebruikt
bij het onderscheid van dimorfe mineralen. Het voorvoegsel para- wordt hiertoe
ook aangewend.
Tegenwoordig komen we namen
tegen die getooid zijn met symbolen als -2R, -3T, -4H of iets dergelijks. Dit
is gedaan om kristallografische structuurtypen van verder zeer nauw verwante
mineralen te onderscheiden.
Zo is er wurtziet-4H, wurtziet-6H en wurtziet-15R. Soms hebben deze mineralen
een aparte status verkregen. Zij zijn echter zeer nauw verwant, en de invoering
van deze symbolen, in plaats van steeds een aparte naam, is gedaan om het aantal
mineraalsoorten niet onnodig met geheel nieuwe namen aan te vullen. Hetzelfde
principe vinden we in het gebruik van -b of -b, -a of a- en g- of -g als bijvoegsel.
Doorgaans is het gebruik van deze Griekse letters beperkt tot polymorfen (die
een kristallografisch verschil vertegenwoordigen).
Echt belangrijke polymorfen hebben een eigen naam: diamant/grafiet, calciet/aragoniet, rutiel/anataas/brookiet, kyaniet/sillimaniet/andalusiet.
Behalve de reeds genoemde
voorvoegsels komen we in mineraalnamen nog vaak tegen:
| chryso- | = goudgeel, bijvoorbeeld in chrysoberyl |
| hemi- | = half, bijvoorbeeld in hemimorfiet |
| a-, an- | = zonder, niet, bijvoorbeeld in anorthiet |
| epi- | = naast, bijvoorbeeld in epistilbiet |
| crypto- | = verborgen, bijvoorbeeld in cryptomelaan |
| eu- | = echt, goed, bijvoorbeeld in euklaas |
| hetero- | = anders, verschillend, bijvoorbeeld in heterogeniet |
| lepido- | = vlok, blaadje, bijvoorbeeld in lepidoliet |
| poly- | = veel, bijvoorbeeld in polykraas |
| pseudo- | = vals, bijvoorbeeld in pseudomalachiet |
| pyr-, pyro- | = vuur, hitte, vonk, bijvoorbeeld in pyromorfiet |
| argento- | = zilver, bijvoorbeeld in argentojarosiet |
| auri-, auro- | = goud, bijvoorbeeld in auricupride |
| calcio-, calc- | = calcium, bijvoorbeeld in calciet |
| carbo- | = carbonaat (CO3-groep), bijvoorbeeld in carboboriet |
| nitro- | = stikstof of nitraat, bijvoorbeeld in nitronatriet |
| stanno- | = tin, bijvoorbeeld in stannomicroliet |
| stib- | = antimoon, bijvoorbeeld in stibiconiet |
| thor- | = thorium, bijvoorbeeld in thorogummiet |
| uran- | = uranium, uranyl (UO2-groep), bijvoorbeeld in uranocirciet |
Mineralen eindigen meestal
op -iet, vaak op -liet, soms op -ien, -aan, -ied, -geen, -aat. Vooral de fraaie
oude namen, én die van Haüy, eindigen eigenzinniger.
Iedereen weet dat -liet is afgeleid van het Griekse lithos = steen, maar minder
bekend is dat de uitgang -iet niets te maken heeft met lithos. Het -iet werd
door de Ouden gebruikt om aan te geven dat iets lijkt op, of de kwaliteit
heeft van, of verbonden is met…
Ook de uitgangen -ien (soms -yn), -oïd of -oied en -aan betekenen zoiets als
gelijkend op, of behorend bij.
Verder zien we wel eens -klaas (= breken), -kraas (= mengsel) en -faan (= zich
voordoen).
Tenslotte is de uitgang -gen of -geen afgeleid van 'geboren uit', 'afgeleid van'.
Bovenstaand artikel
is een bewerking door Rolf Egberink (maart 2001) van
een artikel van drs. W.R. Moorer uit het tijdschrift Gea, vol. 17, nr. 4 (december
1984), pag. 117-125.
Dat artikel was grotendeels ontleend aan twee min of meer populaire boeken,
beide geheel geweid aan mineraalnaamgeving:
De tekst werd geactualiseerd
en bewerkt met behulp van de volgende boeken: