Diabetes mellitus:

Diabetes mellitus (suikerziekte) is een stofwisselingsziekte. Er bestaat nog een andere ziekte die onder de naam 'diabetes' door het leven gaat, namelijk diabetes insipidus, maar die heeft niets met diabetes mellitus te maken. De informatie die we hier geven over suikerziekte hebben we ontleend aan www.gezondheidslijn.nl.
Hoe het normaal gesproken werkt
De spijsvertering zorgt ervoor dat de koolhydraten uit de voeding worden afgebroken tot glucose, een natuurlijke suiker die in de dunne darm wordt opgenomen in de bloedbaan. Alle lichaamscellen hebben behoefte aan glucose, want die levert warmte en energie, maar kunnen deze stof niet zomaar opnemen. Hiervoor is het hormoon insuline nodig. Insuline geeft cellen de mogelijkheid glucose op te nemen en om te zetten in energie. De energie wordt onmiddellijk gebruikt of opgeslagen als reservevoorraad. De hoeveelheid glucose in het bloed (bloedglucosespiegel) gaat omhoog zodra er voedsel gegeten is met koolhydraten. De alvleesklier reageert hierop door meer insuline te maken en af te geven aan de bloedbaan. Dankzij de insuline wordt de glucose opgenomen in de cellen, waardoor de bloedglucosespiegel weer daalt en de insulineproductie in de alvleesklier kan verminderen.

Hoe het bij diabetes mellitus werkt
Bij diabetes is er een tekort aan het hormoon insuline of is het lichaam niet gevoelig genoeg voor de aanwezige insuline. Insuline wordt gemaakt in de eilandjes (insula) van Langerhans, die zich in de alvleesklier bevinden, en naar behoefte afgegeven aan de bloedbaan. Bij diabetici kan de glucose niet in de lichaamscellen komen, waardoor de glucosespiegel van het bloed stijgt. De nieren zorgen ervoor dat de overtollige glucose wordt afgevoerd in de urine. Hiervoor is veel vocht nodig. Omdat de nieren extra urine produceren en extra vocht aan het lichaam onttrekken, moeten mensen met diabetes veel plassen en hebben zij vaak dorst. De naam diabetes hangt hiermee samen: diabetes komt van het Griekse woord diabainoo, dat doorstroming betekent. Mellitus is het Latijnse woord voor honingzoet en verwijst naar de glucose in de urine. Men onderscheidt twee typen diabetes: - type 1: insuline-afhankelijke diabetes; - type 2: insuline-onafhankelijke diabetes.

Typen diabetes mellitus
Diabetes type 1 (insuline-afhankelijk) ontstaat meestal bij jongere mensen, maar kan op alle leeftijden voorkomen. Bij dit type maakt de alvleesklier zeer weinig of helemaal geen insuline aan. Mensen met diabetes type 1 zijn afhankelijk van insuline die per injectie wordt toegediend. Diabetes type 2 (insuline-onafhankelijk) komt over het algemeen bij wat oudere mensen voor (meestal na het veertigste levensjaar). De alvleesklier maakt wel insuline aan, maar niet voldoende. Het kan ook zijn dat het lichaam minder gevoelig is voor de insuline. Dit laatste geldt voor mensen met overgewicht. Bij diabetes type 2 zijn insuline-injecties niet altijd nodig, vandaar de naam insuline-onafhankelijke diabetes. Toch moet een aanzienlijk deel van de mensen met dit type diabetes uiteindelijk insuline spuiten. Diabetes type 1 werd vroeger wel juveniele (jeugd) diabetes genoemd, bij type 2 sprak men van ouderdomsdiabetes. Deze namen worden niet meer gebruikt, omdat beide typen niet strikt aan een leeftijd zijn gebonden.

Zwangerschapsdiabetes is een tijdelijke vorm van diabetes. De insulinebehoefte van een zwangere vrouw neemt vaak toe, zeker de laatste maanden van de zwangerschap. Dit komt doordat de gevoeligheid voor insuline tijdens de zwangerschap afneemt. Soms is het lichaam niet in staat aan de toegenomen behoefte te voldoen. Dan ontstaat zwangerschapsdiabetes. Zwangerschapsdiabetes moet goed onder controle gehouden worden. Het ongeboren kind kan erg zwaar worden door een te hoog glucosegehalte in het bloed van de moeder. Vrouwen met zwangerschapsdiabetes krijgen daarom een dieet voorgeschreven en worden eventueel behandeld met insuline. Enkele dagen na de bevalling verdwijnt de diabetes weer. Als een vrouw vaker zwanger is, kan de alvleesklier echter 'uitgeput' raken waardoor de kans op blijvende diabetes groter wordt. Bovendien blijkt ongeveer de helft van de vrouwen met zwangerschapsdiabetes op latere leeftijd diabetes type 2 te ontwikkelen (insuline-onafhankelijke diabetes).

Behandeling
Diabetes is een chronische ziekte, dat wil zeggen dat de aandoening niet meer overgaat. Nadat de diagnose is gesteld wordt diabetes altijd behandeld. Over het algemeen zijn de klachten die diabetes met zich meebrengt goed onder controle te houden. De ziekte heeft wel gevolgen voor het dagelijks leven. Veel regelmaat is van belang en mensen met diabetes moeten altijd goed stilstaan bij wat ze eten, hoeveel en op welk moment. Daarnaast zijn regelmatig controles nodig, die men overigens tegenwoordig zelf kan uitvoeren. Jaren nadat de diabetes is uitgebroken kunnen complicaties ontstaan als gevolg van de ziekte (bijvoorbeeld hart- en vaatziekten of oogaandoeningen). Diabetes is geen levensbedreigende ziekte, maar sommige complicaties als gevolg van diabetes zijn dat wel. Een goede behandeling, die deze complicaties voorkomt of uitstelt, is daarom van groot belang.

De behandeling van diabetes heeft twee hoofddoelen: enerzijds het bestrijden en voorkomen van verschijnselen, en anderzijds het voorkomen van late complicaties. Hiervoor moet de bloedglucosespiegel zo veel mogelijk binnen bepaalde waarden blijven. Bij mensen zonder diabetes schommelt de bloedglucosespiegel in de loop van de dag. Insuline zorgt ervoor dat pieken in het bloedglucosegehalte - bijvoorbeeld na een maaltijd - omlaag gebracht worden. Dit natuurlijke verloop wordt bij mensen met diabetes zo veel mogelijk nagebootst. Het is overigens niet mogelijk dit zo nauwkeurig te doen als het lichaam zelf. De belangrijkste onderdelen van de behandeling zijn een dieetadvies, tabletten en insuline. Verder is voldoende beweging van groot belang. Sport wordt daarom wel de vierde behandelmethode van diabetes genoemd. De vier onderdelen moeten voortdurend op elkaar afgestemd worden; dit noemt men 'instellen'. Tegenwoordig kunnen diabetici de bloedglucosespiegel zelf controleren (zelfcontrole). Op basis van de gemeten bloedglucosewaarde wordt eventueel de hoeveelheid medicijnen en/of het dieet aangepast. Dit heet zelfregulatie.

Mensen met diabetes moeten goed zijn ingesteld. Dat wil zeggen dat voeding, tabletten of insuline en beweging precies op elkaar moeten zijn afgestemd. Wanneer iemand met diabetes niet goed is ingesteld, kan hij last krijgen van hypoglykemie (een te lage bloedsuikerspiegel door teveel insuline of hyperglykemie (een te hoge bloedsuikerspiegel door te weinig insuline). Het is bekend dat mensen die niet goed zijn ingesteld op den duur ook meer kans hebben op het krijgen van diabetescomplicaties. Een goede instelling bereikt men door zo regelmatig mogelijk te leven. Het is dus van belang dat men op vaste tijdstippen eet, medicijnen inneemt, beweegt en de bloedsuikerspiegel controleert.

Insuline is vooral van belang bij de behandeling van diabetes type 1 (insuline-afhankelijk). De regulering van de bloedglucosespiegel door het dieet wordt nauwkeuriger dankzij het inspuiten van insuline. Dit moet enkele keren per dag gebeuren. Er bestaan verschillende soorten insuline, onder meer langwerkend en kortwerkend. De hoeveelheid en het soort insuline wordt aangepast aan de omstandigheden (zelfregulatie). De meeste mensen dienen de insuline toe via een insulinepen, een soort vulpen met een naaldje en een insulinereservoir. Deze pen is speciaal ontwikkeld om de stof gemakkelijk toe te dienen. Verder bestaat er een insulinepompje, een soort draagbaar infuus waarmee men voortdurend een geringe basisdosering (snelwerkende) insuline kunt toedienen. Met dit pompje kan tijdens de maaltijden wat extra insuline worden toegediend. Voor een goed gebruik hiervan is veel kennis van diabetesregulatie nodig. Men moet namelijk precies weten wanneer en hoeveel insuline gebruikt moet worden. De insuline wordt vlak onder de huid ingespoten (subcutaan) en van daaruit geleidelijk afgegeven aan het bloed. De termen langwerkend en kortwerkend hangen samen met de snelheid waarmee de insuline wordt opgenomen in het bloed.

Bij diabetes type 2 (insuline-onafhankelijk) worden vaak - naast een dieet - bloedglucoseverlagende medicijnen voorgeschreven. Deze medicijnen kunnen de voedingsadviezen niet vervangen. De combinatie van medicijnen en dieet zorgt ervoor dat het moment waarop insuline toegediend moet worden, uitgesteld wordt. Er zijn drie soorten tabletten: de sulfonylureum-derivaten, biguanide-derivaten en acarbose. De sulfonylureum-derivaten zetten de alvleesklier aan meer insuline te produceren, waardoor de bloedglucosespiegel daalt. De biguanide-derivaten verbeteren de opname van glucose door de cel, terwijl acarbose zorgt voor een geleidelijke opname van glucose uit het voedsel. Deze medicijnen zijn niet geschikt voor mensen met diabetes type 1.

Voedingsadviezen
Voedingsadviezen zijn een onderdeel van de behandeling van diabetes. Een diabetesdieet hoeft geen strak en eentonig keurslijf te zijn, in principe kan men alle voedingsmiddelen gebruiken. Belangrijk is welke voedingsmiddelen op welk tijdstip gebruikt worden en hoeveel. Dit geldt met name voor koolhydraten (belangrijk voor de energievoorziening van het lichaam). Koolhydraten mogen niet in onbeperkte hoeveelheden tegelijk worden gegeten omdat ze glucose leveren. Om die glucose te verwerken is veel insuline nodig. Het is dus beter de opname van koolhydraten te verdelen over de hele dag. Mensen met diabetes moeten waken voor overgewicht; zwaarlijvigheid heeft gevolgen voor de diabetesregulatie. Men krijgt van een diëtist een dieetadvies waarin staat aangegeven wat u per maaltijd mag eten. De diëtist beschikt ook over variatielijsten en/of koolhydratentabellen.

Klik hier om af te printen.